Een midwinterhoorn wordt gemaakt van een berken- elzen- of wilgenstam die al van nature een bepaalde kromming heeft. Na het schillen van de bast wordt de stam in twee delen gezaagd en over de gehele lengte uitgehold (zie onderste foto). Als mondstuk wordt een klein stukje speciaal gesneden vlierhout of een andere houtsoort gebruikt, waarvan de kern makkelijk verwijderd kan worden. Het mondstuk, de happe, wordt meestal schuin afgesneden, zodat er tegen de zijkant van de hoorn wordt geblazen. Ook komen er mondstukken voor die bijna recht zijn afgesneden.

Er bestaan "droge" hoorns en "natte" hoorns.
Bij droge hoorns zijn de twee hoornhelften met houtlijm weer met elkaar verbonden. Bij natte hoorns legt men op de zaagsnede een mattenbies en worden de hoornhelften met hoepels van bies tegen elkaar gebonden. Om ze luchtdicht te krijgen worden deze hoorns daarna in een waterput gehangen, zodat door het opzwellen van bies en hout alle naden zich luchtdicht sluiten. Deze hoorn moet dan ook onder water bewaard worden.

Men maakt nu gebruik van drie soorten midwinterhoorns:

de natte hoorn (deze wordt niet veel meer gebruikt vanwege het gewicht);
de latjeshoorn (deze wordt vaak gebruikt door de beginnende blazer, deze hoorn mag niet gebruikt worden bij wedstrijden);
de tweedelige hoorn (deze hoorn wordt nu het meest gebruikt, ook bij wedstrijden).